(RiV april 2011)
Henk Harmsen schrijft al meer dan tien jaar liederen (zie www.x-liedjes.nl) en verhalen (www.openruimte.nl). Zijn verhalenbundel Een brandende braamstruik (zie www.benharim.nl) is inmiddels ook als e-book verkrijgbaar.
In het NPB-huis introduceerde hij begin 2011 in de serie ‘Altijd onderweg’ nieuwe verhalen, met de nodige zelfspot aangekondigd als 'De openbaringen aan Henk'.
'Altijd onderweg'- onder die titel brengt Henk Harmsen collages van teksten en muziek. De titel verwijst naar lied X18:
altijd onderweg / niemand weet waarheen
nergens veilig thuis / rusteloze tocht
(… )
samen onderweg / wij zijn niet alleen
dwalen hand in hand / laat elkaar niet los.
Het typeren van deze unieke serie is moeilijk, omdat Henk graag uitersten opzoekt: soms zijn de teksten heel intiem, soms provocerend, meestal beide. Misschien kan ik dat het beste duidelijk maken aan de hand van een concreet voorbeeld, een verhaal – onlangs verteld in het NPB-huis - waarin de ik-figuur zich opwond over de missie naar Afghanistan.
‘Heb ik daarvoor Groen Links gestemd?’, mopperde ik, terwijl ik God nog een koffie in schonk.
‘Wind je niet zo op’, adviseerde hij, ‘dat is slecht voor je toch al te hoge bloeddruk’.
Ik dacht na en pareerde met: ‘Maar er is toch ook wel zoiets als rechtvaar-dige toorn?.
God keek mij bevreemd aan. ‘Rechtvaardige toorn? En wat moet dat dan wel zijn?’ Hij goot wat koffie op zijn schoteltje en slurpte dat vergenoegd op.
‘Moet dat nou, dat geslurp’, zei ik kribbig. God kon zo af en toe aardig op mijn zenuwen werken.
‘Alweer rechtvaardige toorn?’ lachte God.
‘Moet dat nou, dat geslurp’ – die vraag van de ik-figuur komt ook op bij sommige toehoorders. Een legitieme vraag. Per slot van rekening mag er verschil zijn tussen een bijeenkomst op zondagochtend in het NPB-huis en - om een dwarsstraat te noemen – een cabaretvoorstelling in het theater.
Wel, dat vindt de auteur zelf ook. Hij is er niet op uit om te kwetsen of te spotten. Hij zoekt wel grenzen op – en stelt vragen bij die grenzen. Maar zijn uiteindelijke doel formuleert hij als ‘mensen bereiken, liefdevol raken - en ook zelf geraakt, aangeraakt te worden’.
Wie dat zo stelt heeft er m.i. recht op dat we – kritisch, maar open - verder luisteren naar het vervolg van het verhaal. Wat met zelfspot is aangekondigd als 'openbaringen aan Henk' blijken dan bij nader inzien flarden van gesprekken te zijn: openhartige, intieme gesprekken met een Partner die luistert en spiegelt. Die gesprekken kunnen gaan over een actueel onderwerp uit de krant, maar ook over indringende persoonlijke ervaringen. De auteur spaart zichzelf daarbij niet:
Ik zag het absurde van mijn irritatie in maar wilde nog niet opgeven wat de rechtvaardige toorn betrof.
‘OK. Maar stel dat iemand op straat in elkaar geslagen wordt, dan mag je toch wel boos worden?’
‘Zou ik niet doen’, zei God, ‘Actie ondernemen, ja, bel 112, maak veel lawaai, werp je desnoods in de strijd, maar woede, nee, woede maakt blind, en dat is wel het laatste wat je in zo’n situatie wilt zijn.
‘In de strijd werpen? Dus wel vechten?’, riep ik woedend.
God keek me bezorgd aan. ‘Effe dimmen jongen’.
Weer zag ik het zinloze van mijn woede in.
Henk zoekt grenzen op, schreef ik hierboven. Dat geldt ook voor de grenzen van zijn eigen opvattingen. Als God opmerkt dat een mens soms moet vechten omdat het niet anders kan, gelooft de ik-figuur zijn oren niet:
‘Dit meen je niet’, lachte ik onzeker.
‘Zeg jij het dan maar’, zei God en slurpte vergenoegd verder.
‘Dat van die woede en wat je daarover zegt geloof ik’, zei ik, ‘maar dat vechten, nee, nee en nog eens nee. Ghandi, Martin Luther King en zo veel anderen predikten geweldloosheid. Haat eindigt nooit door haat. Haat houdt alleen op door liefde. Dit is een oude en eeuwige wet.’
‘Dat is mooi gezegd’, mijmerde God, ‘lijkt me typisch iets van Boeddha. Weet je, als ik je vraag ‘snap je het dilemma’, vraag ik je om mededogen. Je hoeft het niet eens te zijn met iemands standpunt, maar als er zogenaamde rechtvaardige toorn om de hoek komt kijken, bereik je uiteindelijk het omgekeerde.’
Als Henk dit verhaal vertelt, volg ik de dialoog alsof ik er deel van uitmaak. Maar het slurp-geluid blijft hangen.
‘Moet dat nou?’ vraag ik me weer af.
Het verhaal geeft zelf antwoord:
‘Maar vind je dat het uiteindelijk geoorloofd is om te vechten?’, hield ik aan.
‘Ik oordeel niet. Uiteindelijk is iemands keuze zijn eigen rechter. Ik heb een enorme sympathie voor de geweldloosheid, maar mijn liefde omhelst de hele mensheid.’
‘Ook de beulen van deze wereld?’
‘Ook de beulen.’
God sopte zijn mariakaakje in de overgebleven koffie en genoot zichtbaar. Ik vond het er smerig uit zien. Maar God zei:
‘Hou je van me?’
Ik knikte.
‘Ook als ik zo onsmakelijk eet?’
Ik knikte.
‘Dan ben je al een mooi stuk op weg’.
Zo eindigt dit gesprek dat zo cabaretesk begon, in een sfeer die kenmerkend is voor veel bijbelverhalen: confronterend, maar ook uitzicht biedend.
Nog steeds doet het verhaal een beetje pijn: het schúúrt langs mijn huid. Maar dat is zeker niet het slechtste dat ons kan overkomen op een zondagmorgen in het NPB-huis…
Jan Veerbeek