Overdenkingen‎ > ‎Jan Dijksterhuis‎ > ‎

De willekeur slaat toe


taken from Peter Ruoff's homepage


In de film “Schindler's list” schiet de directeur van het vernietigingskamp vanaf het balkon van zijn villa, die uitkijkt over de barakken, op willekeurige wijze mensen neer. Vanuit het niets kan een kogel je treffen en doden. Wat hierin zo treft is de absolute ontkenning van het bestaan van de slachtoffers. Het doet er niet toe, voor jou een ander. Niet ter zake doende dingen maken dat jij beëindigd wordt.
Dit is wat ons misschien zo tegenstaat in “zinloos geweld” en zinloze agressie. Je merkt even wat op over schofferend gedrag en dat wordt meteen je einde. Je kunt antwoorden dat iemand wel zeer ziek moet zijn om zo te handelen en dat er een afschuwelijke opvoeding achter steekt, maar bij mij blijft er dan nog een naar gevoel achter. Ik ben zelf niet in staat om begrijpend te knikken en vervolgens een goede strategie van preventie te gaan uitstippelen. Dit laatste is echter misschien wel een heel belangrijk ding om te doen. Maar er blijft woede achter, hoe iemand kan komen tot zo een daad van totale ontkenning van het bestaan van een medemens. Ligt de wortel van deze willekeur in dieper grond? Is ze gegeven met het leven?
Je kunt ook één stap verder gaan, de man die in Noord-Frankrijk vele jonge vrouwen heeft vermoord. Deze man is geestesziek, maar weer is de onmacht en daaruit de woede die ik voel daarmee niet opgelost. Ik kan het er gewoon niet rond krijgen dat een medemens zo handelt, de persoon moet weg van deze planeet, dood. Iets moet met dat ontkennen van het leven van al die jonge vrouwen gedaan worden. 
De filosoof Camus merkt op dat de angst voor annihilatie, de diepste is die we kennen. Annihilatie lijkt op het weggummen uit een boek, in een flits ophouden en dat levert een angst op die zo onmiddellijk is, dat ze alle andere angsten overstijgt.
Ik heb een boek gelezen over een gevangenbewaarder uit de Bijlmer, die een crimineel beschrijft die met een door cocaïne versterkte agressie een willekeurig iemand met een mes neersteekt “en als een verpakking van één of ander wordt neergegooid”, terwijl de moordenaar verder loopt. Dat beeld is me bijgebleven. 
Ik merk dat dit gedrag voor mij niet is weg te pathologiseren, géén verhalen over bindingsdefecten enzovoort. Nogmaals, het kan wel zo zijn, maar als het vreselijke delict niet had plaatsgevonden door welgekozen preventieve handelingen in het verleden, hoe moet ik het zeggen, folders bij postbus 50, goedgekozen SIRE-spotjes. Waar moet ik dan heen met Rwanda en met NAZI-Duitsland? Is het niet iets veel diepers wat we in het gezicht kijken hier, iets dat gewend is willekeurig om te gaan met levende wezens?

Ik krijg het beeld voor me van duizenden kunstige net uit het ei gekropen zeeschildpadjes die na deze inspannende actie door het zand naar boven kruipen om naar de reddende zee te schuifelen, maar onmiddellijk in de magen van de maraboe’s en verwanten terecht komen. Als er in de kleine schedeltjes van de schildpadjes iets van bewustzijn is, zou ik daar toch een groot vraagteken aantreffen. Wat is hiervan de bedoeling? De ouders van het schildpadje zwemmen 3000 (!) km naar een strand van een klein eiland midden in de oceaan, met een perfectie die mening goed manoeuvrerend zeeschip in de schaduw stelt. De moederzeeschildpad kruipt het strand op om uren lang eieren te leggen totdat, bij wijze van spreken de tranen haar uit de ogen vloeien van vermoeidheid, tenminste zo komt het mij altijd voor als ik die beelden zie. Misschien huilt ze omdat ze de vreselijke zinloosheid van dit alles voorziet. Voorzichtig dekt ze de eieren toe, en gaat weer terug de zee in. Dan vindt er in het zand een wonder plaats, cellen delen en vormen kunstige weefsels, elegante structuren worden gevormd met een design waar Lamborghini het zijne van kan opsteken. Er is nog duisternis om de kleine schildpad heen, maar hij breekt zich uit de taaie eischil. Hij graaft zich door het zand naar boven en ziet zich geconfronteerd met een enorme snavel die hem snel optilt. Aardig, deze hulp, zou het schildpadje nog kunnen denken, dat scheelt een eindje lopen. Maar dan komt hij in een weke warme duisternis terecht waar geen zuurstof is, maar wel zuur dat is zijn ogen bijt en verteringsappen die zijn huid oplossen. 
Het mag misschien hard klinken zegt de commentaarstem, maar wij moeten hier niet menselijk over denken. Alles vormt een netwerk en de zeeschildpadjes voeden de vogels en de roofvissen in de zee en ook krabben op het strand zijn van de schildpadjes afhankelijk en zo zien we maar weer hoe mooi alles is. En ik blijf maar met een gevoel zitten dat er iets heel diep niet in orde is. Wat voor willekeur is hier toch aan de gang?

En als gezegd wordt waar zoiets voor dient, dat het een nut heeft, is dan de kous af? Of als men zegt is hoe het dan zo geworden is, als bijvoorbeeld de slechte opvoeding? Ook als ik oorzaak, of nut weet, blijf ik nog steeds met het gevoel zitten dat ik het niet met de gang van zaken eens ben. Het zint me van geen kanten. In zekere zin leven we allemaal in een kamp en er staat iemand op het balkon en die kan ons elk moment afschieten. We hebben als mens een bewustzijn en weten dit en hoe gaan we dan met deze willekeur om? De cycloop moest één oog inleveren bij de goden en wist toen het moment van zijn dood. Vanaf dat moment was de cycloop een tamelijk somber wezen. Wij mensen weten van onze dood en we weten niet precies waar we terecht komen. Wat nog verontrustender is, we weten niet of we wel ergens terecht komen. Dat is weer de beroemde annihilatie van Camus , dat al onze ervaringen er ineens niet meer toe doen en dat we – als het ware- geen evaluatie hebben of de dingen wel goed waren. Blijkbaar is er toch een diep gevoel dat we van de dingen willen opsteken. 
Er zijn een (steeds groeiend) aantal bemoedigende verhalen over mensen die een glimp hebben gezien van ontmoeting en zin en licht. En zelfs van evaluatie. Maar tegelijkertijd worden deze verhalen scherp bestreden en mag er geen hoop zijn. Er zijn stapels mensen in deze wereld die uitgaan van “leven na de dood” en wat ze daarmee bedoelen te zeggen, dat ze op de één of andere manier hopen dan er continuïteit is van hun bewustzijn nadat het lichaam is gestorven en uiteenvalt. Aangezien daar tot nu toe nooit iemand in onze tijden uit terug is gekomen om ons te vertellen hoe het was, blijft de onzekerheid. Er is natuurlijk Jezus die op Pasen opstond uit de dood, maar zijn verhaal wordt ook weer door velen bestreden, dus komt het toch weer op hopen uit.

Je zou uiteindelijk kunnen opmerken: “Wat zou je zelf willen?”. Dan zou ik opmerken dat de woorden continuïteit, ontmoeting, zin, ontdekking en liefde al vrij snel naar voren komen. En rust natuurlijk, om te beginnen rust. Op de vraag of ik na duizend jaar daarvan genoeg zal hebben antwoord ik een overmoedig nee.


Comments