Overdenkingen‎ > ‎Jan Dijksterhuis‎ > ‎

Het visionaire venster

recensie


    
Het visionaire venster
“Een kwantumfysicus over verlichting”
Amit Goswami
Uitgeverij Ankh-Hermes
Deventer, 2002, 283 pagina’s

“Die werelt hielt mi in haar gewout”
Tegen het midden van de 15e eeuw besloot zuster Bertken dat zij zich zou laten inkluizen in de Buurkerk in Utrecht. De ruimte was 3 bij 3 meter groot en de vrouw heeft daar de resterende 50 jaar van haar leven in doorgebracht. Een plaats waar zij was afgescheiden van de wereld en haar lawaai. Het was ook een plaats waar zij contact had met een andere dimensie getuige de vele visioenen die zuster Bertken had. Door middel van een klein luikje had zij contact met de mensen in de kerk en met de mensen buiten. In de kerk kon zij de mis en de getijden volgen, aan de straatkant gaf zij mensen raad en kon zij voorspraak doen voor velen.
Veel verschillende godsdiensten en denkwijzen staan op spanning met het gewone dagelijks leven en al haar zorgen en verplichtingen. Veel verschillende godsdiensten staan ook op spanning met de natuurlijkheid van het leven. In “Het visionaire venster”heeft de voormalige hoogleraar natuurkunde Amit Goswami een boek geschreven waar hij een voorstel doet voor een wereld die heel anders in elkaar steekt.

Deeltjes, God en denken
Het eerste hoofdstuk van het boek houdt zich bezig met de vraag of godsdienst/religie en wetenschap met elkaar zijn te verzoenen. Immers, volgens de meest “strenge “wetenschappelijke opvattingen moeten we ervan uitgaan dat alle dingen te herleiden zijn tot materie en deze bestaat uit deeltjes (atomen, molekulen) die een zekere wisselwerking met elkaar hebben. De deeltjes trekken elkaar aan of stoten elkaar af of kunnen ook reacties met elkaar aangaan en daarbij veranderen. Maar alles altijd volgens vaste regels. God zal alleen invloed op de dingen kunnen uitoefenen als hij van dezelfde wetten gebruikt maakt als de materie. Wanneer God uit iets anders bestaat dan de materie heb je een probleem als hij invloed wil uitoefenen, want ergens moet er toch een punt van contact zijn en zal hij iets materie-achtigs moeten bezitten. Dus of God verschilt van alles en kan geen invloed uitoefenen, of hij is gelijk en dan is er maar één substantie, de stof. 
Vanuit de klassieke natuurkunde hebben zich vervolgens verschillende aannames stevig gevestigd. De eerste hebben we net genoemd, wanneer alle bewegingen en processen oorzakelijk bepaald zijn is er geen ruimte voor een goddelijk oogmerk. De tweede; als er verandering is, voltrekt deze zich geleidelijk. De toestanden van de dingen zijn met elkaar verbonden door de tijd. Drie; ditzelfde geldt voor de ruimte, alle oorzaken zijn van plaatselijke aard en signalen verplaatsen zich in een begrensde tijd door de ruimte. De laatste twee grondaannames hebben tot gevolg dat iedere inmateriële inmenging (het goddelijke, zo je wilt) vanuit onze stoffelijke wereld eruit ziet als sprongsgewijs en niet-lokaal, met andere woorden, het is er ineens en niet herleidbaar in ruimte en tijd. 
Uit dit alles komt nog een andere belangrijke aanname voor. Alle subjectieve verschijnselen, zoals het bewustzijn en het denken zijn bijverschijnselen (epifenomenen) van de stof. Ze zijn versieringen en hebben geen oorzakelijke werking van zichzelf.

De vervallende golffunctie
Amit Goswami is een natuurkundige in het gebied van de kwantumfysica, de wetenschap die zich bezighoudt met het kleinste van het kleinste, de deeltjes waaruit atomen bestaan waaronder de elektronen, de neutronen en protonen. In deze kleine wereld bestaan verschijnselen die wij op geen enkele manier snappen in de grote wereld. In zijn boek probeert Goswami kanttekeningen te zetten bij de drie “pijlers’ van het materialisme zoals die hierboven zijn vastgesteld. Hij probeert deze te “ontwrichten” met behulp van de quantummechanica.
Eerst, er zijn sprongen mogelijk in deze wereld. Plotselinge veranderingen in de toestand. We kennen misschien het beeld van elektronen die in banen om de atoomkern draaien. In zekere zin kan een elektron in een lagere baan “springen”, waarbij het atoom een lichtpulsje afgeeft. Deze dingen zijn “plotseling”.
Elektronen zijn eigenlijk geen bolletjes die in een baan om een atoomkern draaien, als je precies kijkt naar zo’n elektron (en niemand heeft dat ooit kunnen doen) zie je eigenlijk nooit waar hij is.


Figuur 1
Dit kan natuurlijk aan de snelheid liggen, maar het ligt dieper. Ik heb geprobeerd dat in Figuur 1 duidelijk te maken. Bij A zien we een atoom met een elektron in een baan er omheen. Bij B is het zelfde elektron veel vager, het is eigenlijk een wolk die in alle richtingen om de kern heen zit, niemand weet waar het bolletje is, en het kan ineens ook veel verder verwijderd zijn en dat illustreren de twee kleine verre wolkjes. Figuur 2 maakt dan nog iets heel geks duidelijk, namelijk dat een elektron een bolletje is, die door een gaatje heen kan gaan en dan nog steeds een bolletje (deeltje) is. Tegelijkertijd is een elektron ook een golf en ik heb getekend wat een golf doet als die op een gaatje in een wand botst. Dan ontstaat er een soort “steen in het water”effect. Het is voor een normaal mens allemaal erg moeilijk voor te stellen hoe een electron zowel deeltje als golf kan zijn.

Figuur 2
Dit komt doordat de quantumfysica, de natuurkunde van het kleine, bijzonder veel gebruik maakt van ingewikkelde wiskunde. Het is ook voor de natuurkundigen zelf heel moeilijk voor te stellen wat de precieze gevolgen zijn van de wiskunde die ze gebruiken. Het opvallende is dat met deze ingewikkelde wiskunde voorspellingen gedaan zijn die uitkomen, en daardoor hebben de natuurkundigen dus een steun in de rug. Ze weten dat ze op de goede weg zijn. Het was de natuurkundige Edwin Schrödinger die een wiskundige vergelijking opstelde die het “gedrag” van één elektron om één kern beschreef. De formule was een soort code die de mysterieuze “wolk” als het ware omvatte. 
Deze formule ziet er als volgt uit, om een idee te krijgen, hoe dat soort dingen eruit ziet:

Figuur 3
Er zit een zekere schoonheid in zo’n formule, ook al begrijp je er niets van. Eén van de kenmerken van de Schrödinger-vergelijking is dat hij allerlei mogelijkheden weergeeft. En hier komen we bij één van de meest terugkerende termen in het boek van Goswami namelijk: “Het vervallen van de kwantummogelijksgolf”. Van alle mogelijkheden wordt er ineens één bewaarheid en wat eens mogelijk was is het niet meer. Dat is wat Goswami “vervallen”noemt.

De rol van de waarnemer
Hoe zaagt Goswami nu de pilaren onder het materialisme weg? Hij doet dat door botweg en direct alle dingen die in de wereld van de atomen zijn bedacht en gemeten toe te passen op de “grote” wereld van alledag. Hij doet dit in een bestek van slecht weinig pagina’s in het begin van het boek om vervolgens daar diep op door te borduren in groot detail en met een grote mate van onbegrijpelijkheid. Op triomfantelijke wijze toont hij aan dat plotselinge veranderingen voor kunnen komen en dat veranderingen niet lokaal zijn. Dit betekent dat een verandering op plaats A onmiddellijk ook op plaats B voelbaar is, alhoewel plaats B een heel eind weg is. Er is tot nu toe maar één natuurkundige experiment uitgevoerd dat iets dergelijks waarschijnlijk maakte en dat ging weer op voor twee zeer kleine deeltjes. 
Het belangrijke in dit alles is dat de instrumenten waarmee deeltjes gemeten worden nogal belangrijk zijn voor de uitkomst van een experiment. Dat komt dat deeltjes zeer klein zijn en worden beïnvloed door de manier waarop ze gemeten worden. Bijvoorbeeld een elektron is een klein deeltje dat op een schermpje terecht komt dat vervolgens een tikje geeft. Het tikje doet vermoeden dat het om een klein bolletje gaat dat ergens tegen aan botst. Het elektron is nu een bolletje. Een ander apparaat meet dan juist weer golven en daar is de uitkomst dat het elektron een golf is (zie boven). De truuk is dat het elektron beide is maar dat de meetapparaten als het ware een kant van het deeltje naar voren laten komen door de manier waarop ze meten. In de wandelgangen wordt dat de invloed van de waarneming genoemd. Goswami maakt “waarneming” tot “waarnemer” en vervolgens is het idee geboren dat het karakter van het deeltje zo is omdat het waargenomen wordt. Uiteindelijk heeft Goswami de poten onder het materialisme weggezaagd en de waarnemer, het bewustzijn is nu degene die maakt dat alles is.

Bewustzijn als oergrond? 
Het bewustzijn, dat wil zeggen de Atman, is nu degene die alle mogelijkheden tot werkelijkheid laat vervallen. Nu zijn we bij de centrale as van Goswami’s betoog.
De rest van het boek is een uitleg van hoe dat alles in zijn werk gaat, dat er tenminste vijf verschillende lichamen zijn waarlangs het bewustzijn afdaalt tot de “realiteit”, maar dat vervolgens toch alles één is. Ook zijn er hoofdstukken die uitleggen hoe men goed in contact komt met het “kwantumzelf” wat resulteert in een groot gevoel van gelukzaligheid. Diverse Oosterse meditatie technieken en andere “voertuigen”passeren hierbij de revue. Hierbij komt ook “zelfgenezing door de kracht van positief denken” aan bod. 
Naar mijn mening heeft Goswami een zeer mooie samenvatting gegeven van de angel van het materialisme. Eveneens wens ik mij net als Goswami, een “bezielde” en “zinvolle” wereld waarin dingen met elkaar verbonden zijn en daarin zijn we zeer verbonden. De wijze waarop hij in dit boek alles uitwerkt geeft zeer veel vragen, het boek is ook moeilijk leesbaar.

Comments