Overdenkingen‎ > ‎Jan Dijksterhuis‎ > ‎

Hoe het leven de dingen regelt

recensie


     
Hoe het leven de dingen regelt
De mens als noodzakelijke uitkomst van de evolutie
Simon Conway Morris
Natuur Wetenschap & Techniek
Veen Magazines, 506 pagina’s

Een schat aan bijzondere voorbeelden
In “Hoe het leven de dingen regelt”vinden we een schat aan bijzondere voorbeelden uit de natuur. De schrijver, hoogleraar paleobiologie aan de universiteit van Cambridge, etaleert een zeer brede kennis en verrast de lezer met veel, soms zeer verrassende voorbeelden uit de biologie. Wat te denken van de parasolmieren, die bladeren verzamelen in hun nest waarop ze schimmels kweken, kompleet met het wieden van “onkruid” en gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Een dier met landbouwaspiraties. 
We maken kennis met dolfijnen die luchtbelletjes blazen als een tevreden sigaarroker die ringetjes blaast. De mysterieuze stermol beweegt zich voort door onderaardse gangen met een orgaan op zijn neus dat bestaat uit meer dan 20 beweeglijke uitsteeksels, die met elkaar een soort “gevoelszicht” vormen. De opbouw van dit orgaan heeft in zekere zin ook overeenkomsten met het menselijk oog. Je zou kunnen stellen dat de verschillende zintuigen op een dieper onderliggend niveau overeenkomsten vertonen, bijvoorbeeld in de verwerking van de informatie in de hersenen. En bijzondere zintuigen zijn er, de nijlsnoek heeft een bijzondere begaafdheid in het waarnemen van elektrische velden en kan deze ook onderscheiden van allerlei vormen van “achtergrondruis”. Het dier is uitgeruist met bijzondere grote hersens voor een vis.

Het wiel herhaaldelijk uitvinden 
Een centraal gegeven in dit boek is de opvatting dat veel principes in de natuur niet éénmalig ontstaan, maar herhaaldelijk worden uitgevonden in de loop van de evolutie. Bijvoorbeeld het cameraoog waarmee de mens is uitgerust is tenminste bij twee groepen andere dieren zichtbaar. Dit zijn de octopus, alsmede een bepaalde soort ringworm. Morris stelt vast dat bepaalde onderdelen van zo’n oog al bij zeer “primitieve”organismen kunnen worden ontdekt. De lichtgevoelige eiwitten worden al bij eencelligen aangetroffen en ook de eiwitten die in onze lens voorkomen zijn in zekere zin al bij de eencelligen aanwezig, maar hebben daar een andere functie, namelijk de bescherming tegen hitte en stress. In het boek zien we een groot aantal voorbeelden van deze convergente ontwikkelingen. Zo is de karakteristieke “snoekvorm” in 6 verschillende vissenfamilies te herkennen. Mogelijk zijn we bekent met de sabeltandtijger die als gevreesde vijand van de oermens is afgebeeld op vele plaatjes. Bij de buideldieren, een unieke groep zoogdieren die hun embryo’s grotendeels in een buidel laten groeien heeft zich bijna precies zo’n sabeltandbuideldier ontwikkeld. Beide diersoorten zijn inmiddels uitgestorven.

Aristoteles? 
Het boek begint met de term “inherentie”en dat zal nog regelmatig terugkomen. Het lancetvisje wordt doorgaans als een van de meest simpele gewervelde dieren gezien, een bescheiden langwerpig zwemmend diertje met wat tentakels rond de mondopening waar een soort ruggengraat doorheen loopt als een “spalk” van de centrale zenuwbaan. Aan het begin van de kop is er een klein, bijna niet te zien, hersenblaasje en Morris stelt zich de vraag of dit blaasje in zekere zin de grote hersens van de zoogdieren en de mens al in zich “draagt”. Het is al eerder genoemd dat bepaalde principes in de natuur steeds weer terug lijken te keren en ook wel dat bepaalde zaken in een nieuwe betekenis hergebruikt worden. Neuropeptiden bijvoorbeeld, zijn bekend bij mensen die marathons lopen en door de grote inspanning geconfronteerd worden met endorphinen (neuropeptiden) die in hun hersenen vrijkomen en hun een gelukzalig gevoel geven. Verrassend genoeg zijn deze stoffen ook bij eencelligen aangetroffen, maar naar de precieze functie is het gissen, maar het zal zeker niet te maken met zenuwgeleiding of een verwante signaalfunctie. Met andere woorden in de loop van de ontwikkeling van het leven worden allerlei zaken uitgevonden en heruitgevonden en verder worden uitvindingen ook hergebruikt in een totaal nieuwe betekenis. Morris stelt vast dat “het leven” zich zeer doelgericht een weg zoekt door een zeer groot woud van mogelijkheden. “Inherentie” en deze doelgerichtheid zijn begrippen die niet zeer populair zijn in de biologie. Zeker als ze een soort “bezieling”inhouden, veel biologen worden des duivels als ze zelfs maar een vonk van bezieling of vitalisme bespeuren in de meningen van hun collegae. Maar Morris geeft in zekere zin een knipoog naar de naar de toekomst gerichte en daarmee “omgekeerde” oorzakelijkheid van Aristoteles.

Bijzonder
In een willekeurige aflevering van Star Trek worden we doorgaans geconfronteerd met buitenaardse beschavingen die er verdacht menselijk uitzien. Eigenlijk bestaan de meeste kenmerkende verschillen uit variaties in de plaatsing van beenribbels of platen, pigmentvlekken en haarinplant. Een aantal evolutiebiologen waaronder de bekende, nu overleden, Steven J. Gould heeft echter beweerd dat het aantal mogelijkheden dat het leven kan innemen zo groot is dat op aarde maar een verwaarloosbaar aandeel is verwezenlijkt. Daaruit leidt hij af dat als er zich intelligent leven buiten de aarde heeft ontwikkeld, dat de kans dat dit zelfs in de verste verte lijkt op een mens zeer klein is. Hierachter zit volgens Morris de aanname dat leven een soort boetseerklei waar alles mee mogelijk is en hij bestrijdt dit stevig. Het is niet om niets dat allerlei oplossingen steeds weer terugkeren, een oog dat minimaal driemaal ontstaat en vele andere voorbeelden. Dit is omdat deze oplossingen de beste zijn, en dat het leven haarfijn manoeuvreert door een ‘superruimte”van ontelbaar veel mogelijkheden, waarvan de overgrote meerderheid onmogelijk is, naar de beste oplossing. 
In zijn eerste hoofdstukken betoogt Morris dat het ontstaan van leven, alsmede dat van de “bewuste”mens een adembenemend iets is. Hij ageert tegen de mening van bijvoorbeeld de overleden Amerikaanse astronoom Carl Sagan, dat overal in het heelal het wemelt van de planeten en dus ook van de intelligente beschavingen. Integendeel Morris houdt rekening met de mogelijkheid dat we alleen zijn en geeft een groot aantal voorbeelden dat alleen al de planeet aarde een bijna onwaarschijnlijk bijzondere plek in het zonnestelsel inneemt als kraamkamer van het leven. Verder zou het hem niet verrassen, als er een dergelijk leven is, dat het zeer veel op ons zou lijken en dat de makers van Star Trek dat heel goed hebben aangevoeld.

Onderliggende strijd? 
Je kunt je bijna niet onttrekken aan de gedachte dat een ander schisma binnen de evolutiebiologie ook een rol speelt in dit boek. Morris toont zich een aanhanger van de sterk werkende natuurlijke selectie die de evolutie stuwt. Dit is de meest klassieke Darwinistische opvatting. Modernere geluiden hebben zich wel daartegen verzet en veronderstellen een veel grotere rol van “toevallige” processen. Toevallig behoorde Steven J. Gould tot deze groep wetenschappers en zijn naam wordt ook veelvuldig genoemd in dit boek om tegen deze denkbeelden te ageren. Maar Morris reageert ook zeker op het werk van Richard Dawkins en de zijnen die min of meer de suprematie van het gen prediken. Morris vindt deze opvattingen dor, reductionistisch en een soort seculiere religie. Hij onderschrijft het grote belang van religie en metafysica als tegenkracht tegen de uitwassen van de wetenschappelijke methode.
Hij merkt in het laatste hoofdstuk van het boek op: “Dus gezien het feit dat de evolutie bewuste, doelgerichte wezens heeft voortgebracht is het tot op zekere hoogte redelijk om de aanspraken van de theologie serieus te nemen. De afgelopen tijd is er een hernieuwde belangstelling ontstaan voor de relaties die misschien het wetenschappelijke wereldbeeld zouden kunnen verenigen met het religieuze gevoel. De besprekingen bevinden zich nog in een pril stadium en de problemen om tot een verzoening te komen blijven vooralsnog ontmoedigend, maar het is het proberen meer dan waard. Naar mijn mening is het het enige wat ons kan redden.”

Leesbaarheid 
Het is duidelijk dat dit boek je veel nieuwe inzichten kan leren en dat er een lange ervaring en een zeer grote kennis uit spreekt. Achter op het boek staat een aanbeveling van “Nature”, dat: “ Het boek een aanrader is voor iedereen die meer wil weten over de betekenis van evolutie en onze plaats in het universum. Het is ook een aanrader voor biologen die willen weten hoe aanpassing aan de omgeving werkt en wat de beperkingen ervan zijn.” 
Toch is de doelgroep van dit boek niet makkelijk te bepalen, als bioloog kan ik de meeste passages in dit boek volgen, maar soms wordt de stijl van Morris of de vertaling ervan ongenadig onbegrijpelijk en ik weet maar steeds niet of dat aan mij ligt of dat dingen wel anders gezegd kunnen worden. Het lijkt net alsof het boek op twee benen hinkt, soms worden vaktermen zonder uitleg geïntroduceerd, wat het voor een groep mensen onduidelijk maakt. Op andere momenten worden interessante opmerkingen niet verder uitgewerkt wat je met nieuwsgierigheid laat zitten. Misschien komen bepaalde opmerkingen alleen in het Engels tot hun recht, maar her en der is het volstrekt niet te volgen. Als je daar doorheen leest valt er veel te leren en strikt genomen zijn veel gedeelten god leesbaar, maar ik blijft twijfelen of een geïnteresseerde leek zich niet gaat verslikken in het boek. 
Verder is de enorme hoeveelheid noten (bijna 125 bladzijden) eerder herinnerend aan een wetenschappelijke publicatie. Alle noten staan achter in het boek, per hoofdstuk opnieuw genummerd, dus moeilijk te vinden. Ik zou niet weten hoe je dit op moest lossen, voetnoten? minder noten?. Ik betwijfel ten zeerste of iedereen al die noten gaat bekijken, want er staan uitwijdingen in (die misschien weer in de tekst kunnen), maar ook zeer veel verwijzingen naar bladen die alleen maar in een universiteitbibliotheek staan. 
Al met al heb ik veel denkvoedsel uit dit boek kunnen halen, maar er zijn enige opmerkingen te maken.

Jan Dijksterhuis, microbioloog

Comments